SO H 5 Energieomzetting
Maak bij het so gebruik vaqn de volgende gegevens:
De soortelijke warmte van water is 4,2 J/g°C
Verbrandingswarmte van aardgas is 32 MJ/m3
De dichtheid van water is 1gram per ml.
minuten.
b. Bereken hoeveel warmte het water heeft opgenomen tijdens het verwarmen.
c. Er zit een verschil tussen de uitkomst van a en die van b. Verklaar dat verschil
Uitwerking:
De gedachte: Er wordt warmte afgegeven door een elektrisch apparaat. Daarvoor
heb je de formule E = P x t Die warmte wordt opgenomen door een stof (water)
en daarvoor heb je de formule Q = m x c x ΔT
a. E = P x t E = 250 Watt x 240 seconde E = 60000 Joule
b. Q = m x c x ΔT Q = 300gram x 4,2 x (61-19) Q = 52920 Joule
c. Er gaat natuurlijk altijd warmte verloren en die gaat dan dus niet naar het water.
Uitwerking:
De gedachte: Een blok metaal dat in komend water ligt is 100 graden heet. Als je dat in een bakje koud water gooit dan zal dat blok metaal afkoelen. Het water krijgt die warmte en zal dus opwarmen. Uiteindelijk bereiken ze allebei dezelfde eindtemperatuur.
a. Water neem warmte op: Q
= m x c x ΔT Q = 200gram x 4,2 x (24-17,7)
Q = 5292 Joule
b. Het blokje geeft warmte af en als er niets verloren gaat dan is dat natuurlijk precies zoveel
als het water aan warmt ekrijgt.
Q = m x c x
ΔT
5292Joule = 80gram x c x (100- 24) c = 5292 / (80 x 76)
c = 0,87 J/g°C
Uitwerking:
De gedachte: Er wordt nu warmte afgegeven door aardgas te verbranden. Daarvoor is de formule Q = verbrandingswarmte x hoeveelheid. Voor aardgas geldt dat de verbrandingswarmte 32 MJ per m3 is ofwel 32.000 Joule per Liter.