Samenvatting hoofdstuk 4 Warmte


Warmtebronnen:
  Dit zijn voorwerpen of dingen die warmte zelf kunnen afgeven:
                              Voorbeelden: De zon - een kachel - een strijkijzer - een oven
 

Brandstoffen: Dit noemen we chemische energie
Energie omzetten:  altijd van -->   naar    bijv in een strijkijzer:  van elektrische energie --> Warmte

Verbranden van brandstoffen:     ALTIJD dezelfde reactie
 

Brandstof  + zuurstof  -->  koolstofdioxide  + waterdamp  Voor brandstof kan je dan willekeurig een
                                                                                          brandstof nemen zoals aardgas - LPG - enz.

Onvolledige verbranding:  * Als er te weinig zuurstof aanwezig is
                                             * Er ontstaat dan ook koolstofmono-oxide
                                             * Dat is giftig, je gaat eraan dood.

Koolstofdioxide kun je aantomen met helder kalkwater, dat wordt dan troebel.

Warmte en moleculen:

Alle moleculen bewegen
2.Alle stoffen bestaan uit moleculen.
3.Hoe sneller ze bewegen hoe warmer de stof die ze vormen is.
4.Hoe sneller dat ze trillen, hoe meer ruimte dat ze nodig hebben.
5.In een vaste stof zitten alle moleculen op een vaste plaats.
6.In een vloeistof zitten ze wel tegen elkaar, maar niet vast aan elkaar
7.In een gas zitten ze heel erg ver uit elkaar
 
3 soorten warmtetransport
 
Geleiding: warmte- energie wordt doorgegeven van ene molecuul aan het andere
Stroming: warmte-energie wordt door de moleculen mee genomen
Straling: warmtetransport zonder tussenkomst van moleculen

Goede warmtegeleiders: Alle metalen
Slechte warmtegeleiders: Alle andere stoffen
De slechtste warmtegeleider: Stilstaande lucht

Hiernaast zie je een stukje van een vaste stof.
In dit geval stelt dit keukenzout voor.
Als je vooraan de moleculen flink laat
trillen dan wordt dat heel gemakkelijk
doorgegeven aan de rest.
DIT NOEMEN WE GELEIDING!!!

 
 

 

Vloeistoffen geleiden de warmte heel slecht, maar ze kunnen
WEL bewegen. De warme stof gaat ZELF omhoog en neemt
dus de warmte-energie mee. Dit noemen we stroming.
Alleen vloeistoffen en gassen kunnen warmte doorgeven
door stroming.

 

Warme lucht is lichter dan koude lucht en daarom gaat die lucht omhoog.  
Dat geldt voor alle vaste stoffen en vloeistoffen.    

Straling

Als er geen stof aanwezig is dan kan toch de
warmte van A naar B, Dat gaat dan via STRALING

Infrarode straling

Die kun je niet zien, wel voelen en ook fotograferen (met een speciale infrarood camera)

Terug kaatsen en absorberen:
Straling kan je absorberen (opnemen) of terugkaatsen
Absorberen: Zwarte voorwerpen wel en witte niet
                    Doffe voorwerpen meer dan gladde voorwerpen
Terugkaatsen: Net andersom dus
                    Witte voorwerpen wel en zwarte niet
                    Gladde voorwerpen meer dan ruwe voorwerpen.
 

Warmtestroom naar buiten:

Bij een huis stroomt er warmte naar buiten
Een verwarming brengt warmte in het huis:
* Uitstroom groter dan wat het huis in gaat --> temperatuur daalt
* Uitstroom gelijk aan wat er binnen komt --> temp blijft gelijk
* Uitstoom kleiner dan wat er binnen komt --> temperatuur stijgt.

Broeikasteffect

Straling van de zon geeft warmte af aan de aarde.
s'nachts geeft de aarde warmte af in de ruimte door straling
Wolken houden die straling tegen
Veel koolstofdioxide in de lucht houdt die straling ook tegen.

Gevolg:   De aarde kan zijn warmte niet meer kwijt en wordt steeds warmer.

Zonnecollector

Straling van de zon  wordt gebruikt om water op te warmen.
Zwart absorbeert warmte
Een glazen dekplaat voorkomt dat veel warmte verloren gaat door uitstraling