Samenvatting Hoofdstuk 3
§ 1
De toestand waarin een stof kan voorkomen noemen we een fase.
Er zijn 3 fases
Er zijn ook 6 fase-overgangen:
§ 2
Een thermometer heeft een reservoir en een stijgbuis.
Als het kwik in het reservoir warmer wordt gaat het uitzetten
En stijgt het in de stijgbuis.
Celsius heeft de 0 graden bij smeltend ijs gezet en de 100 graden
Bij kokend water.
§3
Een zuivere stof een vast smeltpunt en kookpunt.
Als je een grafiek gaat maken dan zal tijdens het smelten/stollen de temperatuur
NIET stijgen. Dat geldt ook voor verdampen/condenseren.
(zie afb. 14)
§ 4
Lucht bestaat voor 78% uit stikstof – 21% uit zuurstof en minder dan 1% uit Koolstofdioxide.
Hoe hoger je komt in de atmosfeer hoe lager de luchtdruk.
§5
Luchtdruk zit vaak aan twee kanten daarom merk je er niets van, maar de lucht drukt
op je borstkast met een kracht van honderden kilo’s (zie fig. 21)
§6
Dauwpunt.
De hoeveelheid waterdamp die in de lucht kan hangt af van de temperatuur.
Het dauwpunt is de temperatuur waarbij er watedamp uit de lucht gaat condenseren.
Als er bijv. 9,4 gram waterdamp per m3 in de lucht zit dan mag het niet kouder worden dan 10 graden. Onder die temperstuur gaat er water condenseren.
De proeven over lucht.
Over de proeven die je gezien hebt wordt natuurlijk ook gevraagd op het proefwerk.
Daar heb je ook al een so over gehad.
Het belangrijkste is:
*Luchtdruk zit niet altijd aan twee kanten. Denk aan de zuignap..
*Bewegende lucht heeft een lagere druk dan stilstaande lucht. Hoe sneller de lucht
beweegt hoe lager de druk.
*Een lagere luchtdruk betekent ook een lager kookpunt voor water.
*Zonder lucht zouden alle voorwerpen even snel naar beneden vallen.
Waar op het so geen vraag over bij zat was de proef met luchtdruk en volume.
Als je lucht x keer gaat samen persen dan zal de luchtdruk x keer groter worden
De lucht moet dan wel afgesloten zijn.
Veel succes bij je proefwerk